Onze klanten geven ons 5 van de 5 sterren
5/5

De restverdiencapaciteit en de waardering hiervan

Share on facebook
Delen
Share on twitter
Delen
Share on linkedin
Delen
Share on whatsapp
Delen
Share on pinterest
Delen
Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on pinterest

De restverdiencapaciteit is een percentage dat uitdrukt hoeveel je nog kan verdienen nadat je (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt bent geworden. Het is natuurlijk de bedoeling indien je arbeidsongeschikt bent geraakt, dat jij je resterende arbeidsmogelijkheden volledig benut.

Hoe wordt de restverdiencapaciteit bepaald?

Nadat je (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt bent, gaat de bedrijfsarts je onderzoeken. Daarnaast krijg je een gesprek met de arbeidsdeskundige. Er wordt door de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige verslag gedaan van de situatie bij UWV. Vervolgens zal UWV de hoogte van de restverdiencapaciteit bepalen, en daarmee de hoogte van je uitkering. 

De hoogte wordt gebaseerd op wat je zou verdienen als je niet ziek zou zijn (dit wordt ook wel het maatmanloon genoemd), en wat je nog kan verdienen nu je (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt bent.  
 
De restverdiencapaciteit wordt bepaald op basis van de theoretische- & praktische verdiencapaciteit. De theoretische verdiencapaciteit wordt gebaseerd op de functiemogelijkhedenlijst (FML) van de verzekeringsarts, opleidingsniveau, arbeidsverleden en vaardigheden. Er worden drie gelijksoortige functies met het hoogste loon naar voren gebracht en het middelste loon hiervan is de theoretische verdiencapaciteit. 

Indien jij tijdens je ziekte aan het werk bent, dan wordt ook gekeken naar wat je op dit moment in de praktijk aan inkomsten hebt uit (aangepast) werk. Dit wordt ook wel de praktische verdiencapaciteit genoemd. Het hoogste percentage van de twee (theoretisch & praktisch) zal leidend zijn voor de bepaling van de restverdiencapaciteit. 

UWV trekt de restverdiencapaciteit vervolgens af van het maatmanloon. Dit bedrag wordt gedeeld door het maatmanloon. Hieruit komt je arbeidsongeschiktheidspercentage.

Hoe bereken je de arbeidsongeschiktheidspercentage?

Pieter was werkzaam als schilder bij een lokaal schildersbedrijf. Tijdens een klus, viel hij van zijn ladder waardoor hij op meerdere plekken zijn arm brak. Hierdoor kon hij niet meer zijn werk als schilder uitvoeren. Pieter zijn loon was €2.000 toen hij schilder was. De arbeidsdeskundige heeft bepaald dat Pieter nog €600 zou kunnen verdienen per maand (restverdiencapaciteit). Op basis van deze informatie kan het arbeidsongeschiktheidspercentage als volgt worden berekend:  

  • €2.000 (maatmanloon) – €600 (restverdiencapaciteit) = €1.400,- 
  • €1.400/ €2.000 * 100% = 70% 
  • Het arbeidsongeschiktheidspercentage bedraagt hier dus 70%.  

Wanneer het arbeidsongeschiktheidspercentage tussen de 35% en 80% ligt, volgt er een WGA-uitkering. Bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van tenminste 80% volgt een IVA-uitkering.  

In het volgende hoofdstuk zal het verband van de restverdiencapaciteit en de WIA uitkering beschreven worden.

De WIA uitkering en het verband met de restverdiencapaciteit 

Indien je ziek bent en niet in staat bent om te werken, heb je recht op (gedeeltelijke) doorbetaling van je werkgever of op de ziektewetuitkering van UWV voor de eerste twee jaar. Na deze twee jaar (88 weken) heb je mogelijk recht op een WIA-uitkering. De WIA-uitkering is de uitkering die wordt aangevraagd indien je door ziekte niet of minder kan werken.

De WIA-uitkering

WIA staat voor Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen. Het uitgangspunt van de WIA is dat je zo veel mogelijk deel blijft nemen aan het arbeidsproces: hierbij wordt vooral gekeken naar wat nog wel kan in plaats van wat niet meer kan. UWV bepaalt, aan de hand van je medisch dossier of gesprek, welk werk je nog kunt doen en hoeveel je daarmee kunt verdienen. De hoeveelheid die je terugvalt in inkomen wordt uitgedrukt in een arbeidsongeschiktheidspercentage. Dit percentage moet minimaal 35% zijn om in aanmerking te komen met een WIA-uitkering.  

De WIA-uitkering is op te splitten in twee uitkeringen: de IVA-uitkering en de WGA-uitkering.

De IVA-uitkering

De IVA-uitkering staat voor Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten. Je hebt recht op een IVA-uitkering indien je minimaal voor 80% volledig arbeidsongeschikt bevonden wordt en de kans minimaal is dat je in de toekomst weer aan het werk kan. De hoogte van de IVA-uitkering wordt berekend op basis van het loon dat je verdiende in het jaar voordat je ziek werd, gemiddeld aantal werkdagen in een jaar (261 dagen) en gemiddeld aantal uitkeringsdagen per maand (21,75 dagen).

De WGA-uitkering

Indien je meer dan 80% arbeidsongeschikt bent, maar in de toekomst wel weer kunt werken, kom je in aanmerking voor de WGA-uitkering. Indien je tussen de 35 – 80% arbeidsongeschikt bent kom je ook in aanmerking voor deze uitkering. De WGA-uitkering staat voor Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten. De hoogte van de WGA-uitkering is onder andere afhankelijk van de soort WGA-uitkering en de restverdiencapaciteit.  

In het volgende hoofdstuk wordt er ingegaan op de verschillende WGA-uitkeringen en de link met de restverdiencapaciteit.

De WGA uitkeringen en de link met de restverdiencapaciteit 

Indien je voor meer dan 80% arbeidsongeschikt wordt verklaard, maar in de toekomst wel weer kunt werken, of indien je tussen de 35 – 80% arbeidsongeschikt wordt verklaard, heb je recht op een WGA-uitkering.  

Binnen deze uitkering wordt onderscheid gemaakt tussen drie verschillende uitkeringstypes: Loongerelateerde uitkering (LGU), Loonaanvullingsuitkering (WU) & Vervolguitkering (VVU). 

Loongerelateerde uitkering 

Wanneer je na de eerste twee jaar ziekte voldoet aan de vereisten van de WGA-uitkering, ontvang je (meestal) eerst een loongerelateerde uitkering (LGU). De vereisten voor de uitkering zijn dat je minimaal 26 van de 36 weken hebt gewerkt voorafgaand aan de uitkering. Indien je een WW-uitkering kreeg voordat je ziek werd, heb je ook recht op een LGU. De duur van de uitkering is afhankelijk van het aantal gewerkte maanden: je krijgt een maand uitkering voor elk jaar dat je hebt gewerkt tot maximaal 24 maanden. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het laatst verdiende loon: de eerste twee maanden bedraagt deze 75% van het laatst verdiende loon (minus 75% van het eventuele huidige salaris). Daarna is deze 70% van het laatst verdiende loon (minus 75% van het eventuele huidige salaris).

Loonaanvullingsuitkering

De vervolguitkering is afhankelijk van of je werkt en hoeveel je daarmee verdient. Zoals in hoofdstuk één vermeld staat, bepaalt de arbeidsdeskundige van UWV hoeveel je zelf kan verdienen (ook wel de restverdiencapaciteit genoemd). Indien jij meer dan 50% van je restverdiencapaciteit verdient, dan kom je in aanmerking voor de Loonaanvullingsuitkering (LAU). De hoogte van deze uitkering bedraagt 70% van je laatstverdiende salaris tot het maximum dagloon. Indien je 80-100% arbeidsongeschikt wordt bevonden, krijg jij hoe dan ook een LAU ongeacht je eventuele inkomen.

Vervolguitkering

Indien jij minder dan 50% verdient van je restverdiencapaciteit val je terug op de vervolguitkering (VVU) na de loongerelateerde uitkering. De hoogte van deze uitkering hangt af van het arbeidsongeschiktheidspercentage en wordt bepaald op basis van het minimumloon.